Aanbestedingsrecht

Het uitschrijven van een aanbesteding en inschrijving voor een aanbesteding is wat mij betreft een kwestie van goed communiceren met elkaar. Als de communicatie tussen aanbesteder en inschrijver niet helder verloopt, kunnen er onaangename discussies ontstaan en dat is zonde.

Ter illustratie het volgende geschil.[1] Rechtbank Den Haag, datum publicatie, 21 december 2017, Zaaknummer C-09-479579-KG ZA 14-1548.

De relevante feiten in het kort

De gemeente Den Haag schreef een aanbesteding uit voor het aanbrengen van ondergrondse afvalcontainers. Het betrof een nationale openbare aanbesteding volgens het Aanbestedingsreglement Werken 2012 (ARW 2012). De standaard RAW Bepalingen 2010 golden ook voor de aanbesteding. Het betreft een raambestek met open posten, wat betekent dat er op basis van fictieve hoeveelheden wordt ingeschreven en na gunning deelopdracht(en) met werkelijke hoeveelheden op basis van reeds ingediende eenheidsprijs kunnen worden verstrekt.

In het bestek zijn voorzieningen opgenomen bij de werkzaamheden tegen inkalven van een rioolsleuf. Met het treffen van de voorzieningen is het mogelijk een riolering te verleggen om op de bewuste plek een ondergrondse restafvalcontainers te plaatsen.

Eén van de voorzieningen die was opgenomen in bestekspost 301110, betrof  het toepassen van grondkerende schotten. In het bestek stond dat er voor deze voorziening een prijs voor vier schotten, dus vier zijden, moest worden ingediend.

De desbetreffende inschrijver prijsde deze bestekspost op € 10, -. De gemeente Den Haag vroeg zich af of die prijs voor een of voor alle vier schotten door de inschrijver was begroot. Tussen partijen werd daarover schriftelijk gecommuniceerd. De inschrijver beantwoordde de vraag van de gemeente Den Haag met de mededeling dat de prijs te mager was voor alle schotten. Omdat de gemeente Den Haag ervoor gekozen had om in plaats van standaard catalogusbeschrijvingen, eigen bestekteksten te gebruiken, en omdat de schotten in alle soorten en maten verkrijgbaar zijn, koos de inschrijver ervoor de prijs af te rekenen op daadwerkelijk toe te passen zijden.

De gemeente Den Haag heeft de inschrijving van de inschrijver ongeldig verklaard. De inschrijving is mede door het antwoord op de gestelde vraag gekwalificeerd als een inschrijving onder voorwaarden en dat is in strijd met het geldende reglement (ARW 2012), aldus de gemeente Den Haag.

Het geschil tussen partijen

Een geschilpunt tussen partijen had betrekken op de vraag of de inschrijving terecht door de gemeente Den Haag ongeldig werd verklaard, omdat de inschrijver niet voor alle vier schotten een eenheidsprijs had ingediend.

Het oordeel van de voorzieningenrechter te Den Haag

De voorzieningenrechter stelde de inschrijver in het ongelijk. De inschrijving was namelijk strijd was met artikel 01.01.03 van de Standaard 2010 (de Standaard). Omdat de inschrijver niet voor 4 schotten maar een prijs voor 1 schot had ingediend. Op deze manier is geen prijs per eenheid voor alle resultaatverplichtingen begroot en ingediend. En dat moet wel volgens artikel 01.01.03 lid 1 van de Standaard. Omdat de inschrijvingsstaat daarmee ook in strijd is met de bepaling over de vier schotten uit het raambestek, is de inschrijving op grond van artikel 2.221 ARW 2012 terecht ongeldig verklaard, aldus de voorzieningenrechter.

De lering uit deze zaak

Als de inschrijver in een vroeg stadium, bijvoorbeeld via de nota van inlichtingen, duidelijk had gevraagd of de eenheidsprijs voor vier schotten moest worden ingediend of één wel zou volstaan, was de discussie op dat punt hoogstwaarschijnlijk niet zover opgelopen dat rechter om een oordeel werd gevraagd. Maar ook als de gemeente Den Haag via de nota van inlichtingen, een ondubbelzinnig antwoord op de vraag had gegeven, dan was de communicatie tussen partijen ook helder geweest. Dan wisten beide partijen waar ze aan toe waren.

Mr. K.G.O. (Kwaku) Afriyieh

Advocaat, gespecialiseerd in aanbestedingsrecht.

Neem voor vragen contact met hem op.